1. Ernst-Jan Pfauth
  2. 11 juni 2012
  3. Neem een abonnement

Een uur lang op de bank bij de Woody Allen van 1979

A Piece of Monologue is een literair publicatie van een zeer chique blogger. Maar hij is ook een beetje lui. Gisteravond nog, zie ik dat hij een interview met Woody Allen heeft geplaatst. Van een uur. Zonder enige toelichting, behalve dan ‘Woody Allen interviewed by a French journalist in his New York apartment’. Gekscherend vroeg ik op Twitter wie er een uurtje over had om het interview na te pluizen op hoogtepunten. Ik had niet durven hopen dat iemand het serieus zou nemen. Maar dat is precies wat Margot de Graaff van tekstbureau AllesKlikt deed.

Vanmiddag twitterde zij:

Twee uurtjes later zaten de hoogtepunten in mijn inbox. Daarom, dankzij de fantastische Margot de Graaff, vindt u hieronder het interview en een inventarisatie van de hoogtepunten, gesorteerd op thema. Ik ben blij voor u, maar geloof niet dat dit mij een minder luie blogger dan die van A Piece of Monologue maakt.

Tekst van Margot de Graaff (AllesKlikt)

Over de roem:
Na het verschijnen van de film Manhattan (Woody Allen’s commercieel meest succesvolle film) staat zijn getekende portret op de cover van Time Magazine, die hem betitelt als ‘A Comic Genius’. Allen is blij met de aandacht voor de film, maar voelt zich gegeneerd door de grote woorden die Time Magazine gebruikt. Hij zegt dat iedereen je wel moet haten, als een tijdschrift je een genie noemt. Over de tekening zelf is hij ook niet zo te spreken. Een tekenaar kan je mooier afbeelden dan je bent, maar hij vindt zichzelf op de cover nog lelijker dan in de werkelijkheid.

Annie Hall won bij de Oscar-uitreiking in 1977 prijzen voor de beste film en beste regie. Allen was er zelf niet bij. Hij trad die avond op met zijn jazzband (Allen speelt klarinet) en las bij thuiskomst in een boek van Carl Jung. Hij moest het nieuws de volgende dag in de krant lezen.

Over zijn karakter:
Allen is tijdens de Tweede Wereldoorlog geboren in Brooklyn (NYC). Hij wijt zijn nerveuze, hyperactieve fantasie aan de plek waar hij is opgegroeid: onder de rollercoaster van Coney Island.

Allen begon met het schrijven van grappen voor stand-up comedians, maar zocht zelf ook het podium. Als hij een optreden had, zag hij daar de hele dag enorm tegenop. Toch ging hij door met optreden; hij wist dat de mensen om zijn grappen zouden lachen.

Zijn films weerspiegelen zijn neurosen en angsten en Annie Hall is daar een goed voorbeeld van. Hij wilde deze film daarom eerst ‘Anhedonia’ noemen. Mensen die lijden aan anhedonie, zoals Allen, missen het vermogen om te genieten van het leven. “Ik heb geen geduld voor plezier maken, ik werk liever,” zegt hij. Maar echt hopeloos is het niet met hem gesteld. “Ik hou van roken, muziek en sport kijken, maar ik zou nooit gaan parachute springen of naar Afrika reizen.”

Allen houdt veel van schrijven, maar ziet verschrikkelijk op tegen het verfilmen van zijn verhalen. “Maar als ik er eenmaal mee begonnen ben, gaat het wel weer.” Het werken met onbekenden maakt hem bang, vandaar dat hij het liefst werkt met vrienden die hij tijdens het schrijven van zijn scripts al bepaalde rollen toebedeelt. “Bij Interiors moest ik met vreemden werken. Behalve Diane Keaton kende ik niemand en dat maakte me heel nerveus. ”

Allen lacht niet in zijn films, maar wel privé. “Lachen is niet ongezond,” zegt hij tegen de interviewster.

Allen gaat af en aan in psycho-analyse en dat heeft een grote invloed op zijn werk. Psychiaters en hun neurotische patiënten spelen een grote rol in zijn films. We zien een fragment uit de film Bananas (1971), waarin Allen als Fielding Melllish op de bank bij een psychiater ligt. “Ik heb een pornografisch boek in braille gestolen en heb over de vieze stukjes gewreven,” bekent hij.

De regisseur heeft zichzelf door de psycho-analyse beter leren kennen. De praktijk van de psychiater is voor hem een toevluchtsoord, voor ‘als hij te veel plezier heeft’.

Allen klaagt graag. ‘Ik ben op mijn grappigst als ik zeur.’

Over vrouwen
De interviewster vraagt Allen of hij misschien een vrouwenhater is, omdat de vrouwen in zijn films niet altijd prettige personages zijn. Hij ontkent dat en noemt vrouwen geweldig. “Het zijn de mannen die de problemen veroorzaken.”

Toen hij 19 jaar was trouwde Allen voor het eerst. Dit huwelijk eindigde na vijf jaar in een scheiding. Hij was vervolgens twee jaar getrouwd met de actrice Louise Lasser. Nu is hij vrijgezel, maar hij gaat veel met vrouwen uit. De ware heeft hij nog niet ontmoet, maar hij noemt goede relaties zeldzaam. Als zijn toekomstige vrouw kinderen wil, is dat prima. Als ze ze niet wil: ook goed.

Over New York en het moderne leven
New York City is de enige plek waar Allen kan wonen. De stad is net als hij nerveus en druk, maar hij ziet ook de lelijkheid ervan. Aan het begin van de film Manhattan (1979) probeert hoofdpersoon Isaac Davis zijn relatie met New York te beschrijven, die wellicht wat ‘te romantisch’ is.

Het moderne leven zorgt in New York voor problemen als moeizame relaties en een gebrek aan spiritualiteit en een hoger doel. Alles draait om het snelle geld, de televisie die mensen de realiteit laat vergeten, fastfood, drugs, moderne muziek (waar Allen een hekel aan heeft) en degeneratie.

Over geld
Allen filmt niet voor het grote geld. Hij verdient meer dan zijn zus, die onderwijzeres is, maar minder dan een filmster als Barbra Streisand. Dat maakt hem niets uit. Hij verdient in elk geval meer geld dan dat hij als tienjarig jongetje had durven dromen.

Over kritiek
Allen heeft een abonnement op The New York Times, maar leest nooit de recensies over zijn films. Hij gelooft ze niet, ongeacht of ze positief of negatief zijn.

Over politiek
Allen heeft weinig vertrouwen in de politiek. “Je kunt er niet alle problemen mee oplossen,” zegt hij. Er verandert niets wezenlijks na een politieke omwenteling. Hiernaar verwijst hij ook in zijn film Bananas; de meeste problemen van mensen zijn verre van politiek, maar liggen meer op psychologisch, religieus of filosofisch terrein. “Politici hebben geen antwoord op de problemen waarvan mensen ‘s nachts, als ze alleen thuis zijn, wakker liggen.” Een grote verandering zal volgens hem alleen ‘bij toeval’ plaatsvinden, door bijvoorbeeld een kernoorlog of een wetenschappelijke ontdekking. Niet door groepen mensen, want die kunnen zoiets groots nooit bewerkstelligen.

Over angst en de dood
Allen heeft ooit wel eens een grap gemaakt over zelfmoord, maar hij zou zichzelf nooit van het leven beroven. “Dat is geen interessant alternatief”. Hij gaat liever de problemen in zijn leven te lijf. Hij is bang voor de dood, maar nog banger voor ziekte en ouderdom..

Over religie
Allen is geen atheïst, maar wel bijna. Hij is als kind religieus opgevoed en ging naar de synagoge. Nu wijst hij religie niet af, maar hij heeft wel moeite ‘met de mensen die er hun geld mee verdienen’.

Over de dood
De interviewster vraagt Allen wat hij zou vragen als hij van een goede fee een wens mocht doen. Succes, gezondheid, liefde, macht, spieren, schoonheid?

“Ik zou willen weten of God bestaat,” antwoordt hij. “Dan zou ik beter kunnen ontspannen en hoef ik mijn deur ‘s nachts niet op slot te doen.”

Wat zou hij willen zijn in een volgend leven? “Een concertpianist,” is zijn eerste antwoord. “Iemand als Arthur Rubinstein.”

Als de vraag hem op een later moment weer wordt gesteld, zegt hij dat hij liever terugkomt als Marlon Brando of Frank Sinatra.