Genieten van de Venetiaanse cliché’s, nu het nog kan

Het is vijf voor elf, tot de barman de grote wijzer een duwtje geeft. Een knipoog, het is opeens tien minuten na sluitingstijd. Onze bellinis zijn nog half vol, wat neerkomt op 7,5 euro aan drank per glas. Om ons heen druipen de vaste gasten af. De mannen zoenen de barman. Als wij even later ook de Calle Vallaresso inlopen, houdt hij – in wit pak, met zwarte strik – de deur open. We zijn in de voetsporen van Ernest Hemingway, Charlie Chaplin, Truman Capote en Peggy Guggenheim getreden. Dat was Harry’s Bar.

Het is koud, we slalomen door de steegjes. Op naar ons mini-appartement met kapotte boiler, waar we elke dag met toast en pecorino beginnen. Na het ontbijt naar buiten, handschoenen aan, grote sjaal om. Blind de steegjes in. Rechts, links, rechts, links, onze hakken kletterden tegen de grond, het geluid weerkaatste tegen de huizen die allemaal dicht tegen elkaar aan staan. En elke keer een verrassing wat we zien krijgen als we wéér een hoek omgaan. Soms een pleintje. Vaker een brug, over het groenblauwe water. Het eindeloze dwalen door de stille stad werkte hypnotiserend.

Na een halve dag gaven we het plannen op. Onze reisgids-app bleek nutteloos. Of het café bestond niet meer, of het was hopeloos toeristisch – ‘in welke van de vijf beschikbare talen wilt u het menu?’. We zochten alleen nog de grote musea op, en hielden onze ogen open voor de perfecte bacari. De buurtrestaurantjes, waar de Venetianen naar binnen zwaaien als ze langslopen, waar donderende tafelgesprekken al buiten te horen zijn.

Als we naar binnenliepen, staakten de gesprekken niet. Ze zijn het gewend, toeristen zijn als water, onvermijdelijk en overal. Krioelend, camera op de buik, windjack aan. Maar wij niet, wij waren allebei piekfijn gekleed. Wollen pak, donkergrijs, blinkende zwarte schoenen eronder. Zij in kasjmieren lichtgrijze poncho. Dat moest van Joseph Brodsky (1940-1996), de Russische dichter, die elke winter in Venetië doorbracht en daar de werken schreef die hem in 1987 de Nobelprijs voor Literatuur opleverden. Alleen met zijn mooiste kleding aan, kan de gast zich thuisvoelen tussen de prachtige Venetianen, schreef Brodksy in zijn essay Watermark (1992).

In ons mooie kloffie vochten we in eerste instantie tegen de nostalgie. Voor je het weet doe je hele dag niks anders dan proberen in de voetsporen van Evelyn Waugh te lopen. Venetië te zien zoals hij het zag. En dus betaalden we te veel voor een spritz in Hotel Danieli, terwijl de vijf keer zo goedkope versie in buurtcafé Margaret Duchamp onder het flikkerende licht van een televisiescherm dat Udinese tegen Juventus toonde precies hetzelfde smaakte. Bovendien kregen we daar een olijf erbij. Zoals het hoort.

Maar een alternatief voor de nostalgische trip is er niet. Venetië is voor de passant niets meer dan een decor. De kunsten worden met het filmfestival en de biennale twee keer per jaar geïmporteerd, maar een bruisend cultureel leven is er niet. Alleen rond de universiteiten zie je jonge mensen. Op zichzelf, met hun vriendengroepjes. Verder zijn er alleen de statige oudere burgers, en de Japanners met hun statieven, de Amerikanen en hun ‘gondola rides’, de Duitsers in de souvenirshop.

En er zijn de bedreigingen. Venetië verzakt. Talloze inwoners hebben hun kelders aan het water moeten afstaan. De dure winkels kunnen bij aqua alta schotjes voor hun deuren schuiven. Ook is er te weinig geld. Scheldend hebben we bij vervallen palazzo’s gestaan. Verrotte gebouwen die ooit zo mooi moeten zijn geweest en nu slechts dienst doen als duivennest.

Daarom gaven we ons in vrede over aan de cliché’s, nu het nog kan. We aten de vangst van de dag – rauwe zwaardvis met langoestines – in Alle Tiestere, stonden ‘s nachts minutenlang stil op een bruggetje, om naar het holle geluid van het Campanile-klokkenspel te luisteren, bestelden chicheti met goedkope Pinot Grigio en dronken in Harry’s Bar, die al tachtig jaar bestaat en al die tijd relevant is gebleven.

Dat is Caffè Florian niet gelukt. Als je langzaam langs het schitterende koffiehuis uit 1720 op het San Marco-plein loopt, zie je alle gasten in hun reisgidsen bladeren. Niet in Harry’s Bar. Daar dineert de elite van Venetië nog steeds. Wij hebben de hele avond stiekem naar ze gekeken. De opgespoten lippen geteld, beroepen geraden. De barman voerde ons overgebleven panettone en mixte voor heel veel geld verse perziksap met prosecco. ‘Another bellini for you?’ We moesten nog kerstinkopen doen en waren nu al blut. In Venetië mag dat, het perfecte decor voor decadente zelfdestructie. ‘Two more? Good choice sir!’.

Beeld: Canaletto, uit de collectie van het Rijksmuseum.

2 thoughts on “Genieten van de Venetiaanse cliché’s, nu het nog kan”

  1. Prachtig beschreven, echt heel boeiend. Hoewel het een langer stuk is dan we normaal van je gewend zijn, is het allesbehalve storend en vind je het – ondanks de mooie afsluiting – bijna jammer dat het stuk alweer afgelopen is.

Comments are closed.