Het genie Jack White weet zich geen raad met zijn hits
Als ik Jack White zie spelen, wil ik een band beginnen. Eentje met allemaal meisjes in witte jurken. Met een Deense blondine achter de steel guitar. “I’ll tell you their names so you know what to type in tonight”, grapte White, “My father told me that joke”.
Ik heb nog nooit zo’n goede gitarist live gezien als vanavond in de Heineken Music Hall. White sleept me mee. Sta ik opeens heen en weer te springen, ontdek ik als het geluid van zijn gitaar wegsterft. De nummers van zijn nieuwe album staan als een huis, alsof hij ze al jaren speelt.
Van zijn grootste hit lijkt hij beroofd. Als hij Seven Nation Army speelt, hoor ik een voetballiedje over seksuele geaardheid. “Hij moet het wel spelen, hij moet het terugkrijgen”, zei een muzikant die ik tegenkwam, daar kon ik me wel in vinden.
Toen White na Irene Goodnight het podium verliet, had ik het gevoel dat we nog maar net begonnen waren. Ik wilde nog anderhalf uur doorgaan. Zag ik twee weken eerder twee rappers hun verzameling aan hits opzwepend aan het publiek voorschotelen, vanavond zag ik een man die warrig door zijn muzikale periodes heen ploegde. Er zat geen climax in, of in ieder geval niet één die niet prematuur was.
Maar ik heb hem verdomme wel mogen zien, het rockgenie van onze generatie. En ik heb nog lang niet genoeg van hem. White en zijn rockende zombiemeisjes hebben me hongerig gemaakt.