Helaas, de foto die de fotograaf van het Witte Huis nam toen Obama na zijn beëdiging nog één keer achterom keek, is niet op zijn Flickr-account verschenen. Wel een paar interessante foto’s van Jon Favreau, de belangrijkste speech writer van de Amerikaanse president. De nu 31-jarige schrijver was eind twintig toen hij de iconische speeches voor presidentskandidaat Obama schreef. Over een weekje verruilt hij het Witte Huis voor Hollywood. Dan heb je lef, als je niet meer de stem van de machtigste man op aarde durft te zijn.
Misschien dat Obama’s fotograaf bij wijze van eerbetoon nog twee foto’s van Favreau’s werk online plaatste. Je ziet hem samen met Obama aan hun laatste belangrijke speech werken, de inauguratierede. Zoom in om Obama’s notities te zien. ‘For we have’ werd ‘For history tells us’. Klinkt toch een stuk grootser
Foto: The White House / Pete Souza
Foto: The White House / Pete Souza
Voor mij past Favreau in het rijtje van Chris Hughes en Ezra Klein: jonge helden in Washington wiens werk al een enorme impact heeft gehad. Met één groot verschil. Hughes en Klein komen in profielen over als bloedserieuze workaholics, terwijl Favreau (links) toch van een gebbetje lijkt te houden.
Vandaag hoorde ik voor het eerst de uitdrukking ‘Ok Glass’. Dat hoor je tegen de Google-bril te zeggen, om daarna een nieuw commando te geven. Zoals ‘vertel met ‘heerlijk’ in het Thais is’, of ‘toon me hoe ik bij het stadion kom’. Enfin, u ziet het hier, in één van de meest indrukwekkende productvideos die ik tot nu zag:
Google toonde een prototype tien maanden geleden al eens onder begeleiding van ukelele’s, sindsdien heeft de interface een enorme ontwikkeling doorgemaakt. En het mooie is: alles werkt al. Sergey Brin loopt er al maanden mee rond en consumenten kunnen zich via deze site opgeven als testgebruiker.
Yeeeah… I just had a brief conversation with the most powerful man in the world. On the downtown 3 train. Nice guy. twitter.com/noazark/status…
Alleen Amerikanen mogen meedoen, anders was ik nu het aanmeldformulier aan het versturen. Het idee dat apparaten je niet meer lastig vallen, dat je niet meer je telefoon uit je broekzak hoeft te vissen, lijkt me voor sommige dagen ideaal.
Soms word ik overvallen door de angst dat ik bij een verloren generatie hoor. Een club die nooit tot grootse daden in staat zal zijn, omdat we ons alleen maar laten leiden door directe erkenning.
Wij mensen hebben succes altijd al gemeten aan de hand van andermans waardering, dat is niet veranderd. Het grote verschil is dat we onszelf dwingen continue te publiceren over ons leven. Dat elke stap die we zetten, eigenlijk op onze Wall of Timeline thuishoort. Je ziet de successen dagelijks voorbijvliegen. De wereldreizen, de promoties, de vernissages. Daar hoor je dan iets tegenover zetten. Hoeveel likes leveren jouw acties op?
Denk niet dat alleen extreem onzekere types angstvallig de online reacties op hun leven in de gaten houden, ook ‘s lands denkers laten zich daardoor beïnvloeden. Ik ken geen enkele columnist die niet precies weet hoe vaak zijn column geretweet is. Ik hoor ze weleens zeggen dat het ene stukje wat ze zelf een beetje makkelijk vonden, ongelooflijk goed scoort op Twitter. Maar die column waar uren denkwerk in zat, deed helemaal niks. Zou het dan niet, heel misschien, dat ze steeds vaker zo’n makkelijk stukje tikken? Dat is immers wat de lezers willen. Dat is wat verkoopt. Dat is wat ze direct terugzien op hun bankrekening, en aan de goedkeurende blikken op straat.
Meesterwerken leveren vaak eerst weerstand op, voordat ze jaren later de hemel in worden geprezen. In een tijd waar likes en retweets de norm zijn, is het lastiger om zonder erkenning aan een groot project te zwoegen.
Als we überhaupt aan een avontuur durven te beginnen. Want we weten: als we falen, kan iedereen daarvan meegenieten. Stel dat je een eigen bedrijf begint. Vroeger hadden kennissen daar pas van gehoord als het daadwerkelijk van de grond was gekomen, maar omdat je volgens de mores van sociale marketing vanaf dag één over het idee facebookt, weet iedereen wanneer het mislukt. Sta je voor lul. Niet zo handig, voor de van nature risicomijdende mens. Je past wel op, met het opzeggen van die saaie baan. Iedereen kan elk moment het gat op je LinkedIn-cv zien.
Misschien is mijn angst irrationeel. Misschien moeten we gewoon even wennen aan de continue feedback op ons leven. Als het voor mijn generatie maar niet te laat is.
Nederlanders verspillen gemiddeld zo’n 74 kilogram eetbaar voedsel per jaar. Ik vrees dat ik me daar ook schuldig aan maak. Ik kook eens een avondje, doe inkopen en gooi twee dagen later de resten weg. Daarom ben ik heel blij dat schuin tegenover mijn huis een bijzonder soort supermarkt is geopend. Bij Bilder & De Clercq koop je alleen wat je nodig hebt. Je kiest één van de veertien recepten, laadt de voorverpakte ingrediënten in je mandje en kookt thuis alles op. Gisteren kocht ik er voor het eerst een maaltijd. De goedkoopste, uiteraard. Dat is altijd de beste test.
En dus pakte ik voorzichtig twee takjes thijm en één blad laurier voor mijn ‘knolselderij en linzen met hazelnoot en munt‘. Een smaakvol en bijzonder gerecht, dat halverwege de maaltijd een beetje begint te vervelen (ik had het liever als bijgerecht gehad – maar misschien wreekt de carnivoor in mij zich). Het notenbrood en de croissant die ik kocht waren allebei van fantastische kwaliteit. Net als de chips, en de rozemarijnworst van Brandt & Levie.
Foto: Bilder & De Clercq
Dit vegetarische hoofdgerecht voor twee personen kost 6 euro. Als je in de Albert Heijn boodschappen doet, kan je daar bijna niet tegenop koken. Niet-vegetarische gerechten kosten bij Bilder & De Clercq rond de 7 euro per persoon. Dan zit je ongeveer op het prijsniveau van een traiteur. Met als verschil dat je het nu vers in je eigen keuken klaarmaakt en de rust van dat ritueel is me veel waard. Wat me vaak van koken weerhoudt is een gebrek aan inspiratie, en precies dat lost Bilder & De Clercq op. Het enige wat er mis kan gaan, is dat de seizoensgebonden recepten niet vaak genoeg wisselen.
Bovendien is het een feest om in de winkel te lopen. Alle details kloppen. Van de espressokopjes (Piet Hein Eek) tot de strakke hipstervormgeving en het vriendelijke personeel, van wie de volledige naam op het kassabonnetje staat. Je voelt de liefde voor het vak en daar blijf ik zeker voor terugkomen, dus hop, op de Foursquare-lijst van vaste adresjes.
‘Amsterdam welcomes Mr. Gere’ staat er op abri’s door de hoofdstad. De Hollywoodster komt maandag met zijn zilvergrijze voorkomen de première van Arbitrage in Tuschinksi opluisteren. Toen ik afgelopen september een maand lang met Tim de Gier door New York banjerde, kwam de film over private equity daar uit. Tim en ik gingen ‘m zien, en waren enthousiast. De redenen daarvoor zette ik op mijn Tumblr uiteen, en ik ben zo vrij ze even naar deze Nederlandstalige blog te kopiëren.
Yesterday, around 5:45pm, Tim and I realized we wanted to see The Master that very evening. Unfortunately, a couple of hundred New Yorkers had the same plan and were bright enough to book in advance. So we opted for Arbitrage, a movie about power starring Richard Gere as a sleek, successful, relentlessly ambitious and desperate business man: Robert Miller. He lives in Gramercy Park, unwillingly stars on the cover of Forbes Magazine, is about to sell his family firm to a bigger player and then accidentally kills his sensuous mistress (ooh, miss Casta). What follows next is a thrilling battle between a detective and Miller.
I love this movie for two reasons:
It’s fascinating to see the life of the inconceivably rich power brokers. When Miller flies 2.000 miles, the only times he steps foot on a public street is the short walk between the limo and his front door.
Miller is ok with all the bad stuff he does, because he ‘has responsibilities’. When he deceives his daughter, it’s for ‘her own good’. He’s the fucking patriarch, after all. This makes him a bad guy, who comes up with lame excuses for his greed. At the same time, he gives millions to charity and society profits from his wealth. The moral tension between these two extremes is some good fodder for discussion.
Ok, I’m off reading some reviews. Go see Arbitrage for yourself.
Die recensies bleken niet heel goed te zijn, en op IMDB scoort Arbitrage een magere 6,7. Maar precies om de redenen die ik hierboven schets (dat je in het geweten en het luxe leven van een miljardair kijkt), maakt het een film die je tijd meer dan waard is. Als je Gere de komende dagen tegen het lijf loopt, breng je dan mijn complimenten over?
PS. Tip van Tim: luister naar hoe mooi de deuren van de limo dichtklappen.
PPS. De hoofdredacteur van Vanity Fair, Graydon Carter, speelt een lekker bijrolletje
Lieve lezers, ik worstel een beetje met blogreacties. Volgens klassiek onderzoek van Jakob Nielsen uit 2006 reageren 1 op de 100 lezers op een blogpost. Als ik naar mijn statistieken kijk, lijkt dat te kloppen. Maar door de opkomst van Twitter en Facebook krijg ik op andere plekken tientallen reacties. Neem bijvoorbeeld mijn stuk over taxiservice Uber: 1 reactie op Pfauth.com tegenover 31 reacties, 265 likes en 44 re-shares op Facebook.com:
Screenshot Facebook
Als je die cijfers ziet, zou een linkje naar de Facebook-discussie moeten volstaan. Praat daar lekker mee, dat scheelt ook weer ruimte op deze blog (ik vind die Disqus.com-layout verschrikkelijk lelijk). Op Pfauth.com lees je, op je netwerken reageer je.
Af en toe zie ik bijzondere voorbeelden van bloggers die zulke drastische maatregelen durven te nemen. Zo stuitte ik vandaag op de blog van designer Sacha Greif. Hij heeft geen reacties op zijn blog, maar sluit de bijbehorende tweet in om discussie te stimuleren:
Bezoekers hebben zo een centraal punt waar ze vanuit hun eigen naam kunnen reageren, want alle reacties worden onder de tweet verzameld. Nadelen zijn dat je slechts 140 tekens hebt om te reageren (ik haat twitterdiscussies) en dat alleen twitteraars mogen meedoen met de discussies. In zijn doelgroep geen probleem, maar op deze blog komen meer Facebook-gebruikers heb ik het idee. Maar voor techblogs is Greifs oplossing volgens mij perfect.
Ik blijf zulke oplossingen documenteren, tot je op een dag mijn drastische maatregel ziet.
(Deze Fransman is trouwens ook verantwoordelijk voor een interessant curatie initiatief: hij verzamelt elke dag de vijf beste links naar stukken over webdesign. Overzichtelijk, en een goed ritme. Elke morgen om negen uur krijg je ze via de mail bezorgd. Zie Sidebar.io.)
‘Het voordeel van bij Vrij Nederland werken, is dat collega’s antieke The New York Review of Books meenemen’, tumblerde Tim de Gier gisteren. Kijk eens hoe statig, hoe chique en urgent die bladen overkomen:
Foto gejat van Tim de Gier
Ik ben heel jaloers op webdesigners die dat gewichtige gevoel naar het web weten te vertalen. Die overbrengen ‘dat je hier met een klassieker van doen hebt’. Let wel, zonder trucjes uit te halen. Sites die papier nabootsen – kreukels als achtergrond bijvoorbeeld – zijn kitsch. Ik heb het over sites die als digitaal medium de urgentie lijken te hebben van een papieren tijdschrift. Die het ‘lekker elke week met mijn blad bij de open haard’-gevoel naar het web hebben vertaald. Dat is moeilijk. Het is The New York Review of Books bijvoorbeeld zelf niet gelukt:
Screenshot van The New York Review of Books
De site ziet er goedkoop uit, met overal kleine aankondigingen die om je aandacht vragen. De rust die je met het papieren blad associeert, is digitaal ver weg.
A Piece of Monologue selecteert op onregelmatige basis interessant foto- en videomateriaal van kunstenaars en houdt obsessief lezingen over Samuel Beckett bij. Op de Arts & Letters Daily vind je sinds het begin van het internet links naar belangrijke essays en boeken.
Achter beide sites zit geen topontwerper. Sterker nog, Arts & Letters toont hier en daar gedateerd. Maar allebei hebben ze een design gevonden dat het gevoel van een klassieker overbrengt. Op Arts & Letters geen opsmuk, geen thumbnails, geen visuele verrassingen, maar gewoon drie kolommen met korte teksten en een link. Ik kom er elke dag even kijken en dan vind ik een stuk of drie nieuwe verwijzingen. Lekker ritme, niet meer dan ik aankan. Op Wikipedia lees ik welke designopdracht wijlen oprichter Denis Dutton zichzelf had meegegeven:
“[it] mimics the 18th century English broadsheets and a 19th century copy of a colonial New Zealand periodical, the Lyttelton Times.”
De man achter A Piece of Monologue experimenteert continue met zijn design (ik vermoed dat we dezelfde hobby hebben) en zet vooral in op een rustige opmaak waar groot beeld heel belangrijk is. Hij toont slim onderkoppen (ongewoon, op een blog) en gebruikt geen woord te veel om zijn online vondsten aan te kondigen. En die naam, die naam! Alsof de publicatie al eeuwen bestaat.
Het lijkt alsof journalisten steeds meer naar wensen van lezers luisteren, dat ze zien dat een pakketje nieuws uitbrengen niet meer genoeg is. Natuurlijk, er zijn nog duizenden mensen die een flink bedrag overmaken om dagelijks verrast te worden door de brede selectie van een redactie, maar tegelijkertijd kijken jongeren gemiddeld slechts een kwartiertje per week naar een dagblad om. Zij maken hun selectie met facebook- en twittervrienden en kranten moeten hun verschijningsvorm daar op aanpassen. Het lef hebben om artikelen uit hun stokoude context te halen. Eeuwenlang maakten ze bladvulling om de belangrijkste verhalen heen, nu hebben jongeren daar opeens geen tijd meer voor.
Met een nieuwe app – NRC Reader – doet NRC nog een moedige stap in die nieuwe richting. Zeven dagen per week kiest de hoofdredactie acht NRC-artikelen die je gelezen móét hebben. In een kwartiertje kan je ‘m uit hebben. Ik hoorde de hoofdredacteur tijdens een spreekbeurt eens zeggen dat 60 procent van de opzeggers uit tijdgebrek afscheid neemt van de krant, dus in dat opzicht is NRC Reader een logische stap. Nee, je hebt geen tijd voor teksten die je misschien interesseren, je wil doelgericht en efficiënt geïnformeerd worden. Je laten verrassen doe je wel op Facebook.
Schitterend van werk van Ward Wijndelts, Thijs Niks en Jelle Prins‘ Moop.Me. Maar kannibaliseert NRC niet zo haar krantenabonneebestand? Zoals een vriend van me altijd zegt: ,,Als mensen bananen willen, geef je ze bananen. En anders doet de concurrent dat wel.” Apple, dat bedrijf dat we allemaal zo graag als voorbeeld aanhalen, concurreerde haar eigen iPod ook kapot met de iPhone en iPad.
Gisteren werd elders nog een lezerswens ingelost. De diehards van De Nieuwe Pers (DNP) brachten krap een jaar na het omvallen van hun gratis papieren krant een nieuwsapp uit waarmee lezers abonnementen kunnen nemen op specifieke journalisten. Eindelijk. Wanneer kopiëren andere kranten die abonnementsvorm? Ik hoef niet de hele Volkskrant te lezen – geen tijd voor -, maar ik wil wel graag een abonnement op de voorpaginacolumn van Grunberg. Nu verdient de Volkskrant geen cent aan me, dan opeens wel. Zo verdwijnt langzaam de mal van de klassieke krant. Simpelweg omdat de lezer dat eist.
Ik ben geen jazzkenner, ik ben een jazzromanticus. Als ik een concert bezoek, of in een jazzclub aan de bar hang, zie ik dit ideaalbeeld voor me: opgaan in de muziek als Dickie Greenleaf in The Talented Mr. Ripley, die op een terras naar een drumsolo luistert, opstaat, en ter plekke besluit ook te gaan drummen.
Als ik in een vreemde stad ben, hoort een bezoek aan een vuige jazzclub tot het standaardrepetoire. Laatst was ik met Tim de Gier, Arnout Arens en Olaf Koens in New York. Gingen we naar de Smalls, op 10th street. Trappetje naar beneden, de metro laat het gebouw schudden, geen daglicht in de club. Stoere barvrouw die Whiskey Sours met te veel goedkope whiskey maakt. Vier puisterige muziekstudenten die doodzenuwachtig de sterren van de hemel spelen. Ik herken misschien nog net Miles of Chet, kom tot de kwartfinale van een jazzquiz, maar verzuip als eerste in de romantiek. Gelukkig bestaat er zoiets als Spotify, waar échte kenners heerlijke lijsten maken. Mijn favoriet is samengesteld door Loeki Westerveld. Vergeef me de lyriek, ik heb me net weer een avond aan haar selectie gelaafd:
Deze week ontving ik een uitnodiging om de nieuwe schrijfapp Feathe.rs uit te proberen. Uiteraard tikte ik de bespreking daar. Hieronder staat de hele tekst gekopieerd, om redenen die u vast nog duidelijk worden.
Mijn tekst op Feathe.rs
Je bent zowat een luddiet als je zelf nog designs in elkaar klust. Een moderne schrijver maakt gebruik van schrijfservices als Medium, SVBTLE of Feathers, betoogde Robin Sloan onlangs, en wie de schitterende ontwerpen van die services ziet, kan hem bijna alleen maar gelijk geven. Ik ontwerp nog zelf uit hobbyisme, en om tekst en ontwerp beter op elkaar te laten sluiten. Maar dat weten ze bij Feathers niet, en dus ontving ik afgelopen week een uitnodiging om hun webapp uit te proberen.
Ik tik dit stukje in hun editor, die nogal apart werkt. Zo word je geacht per alinea te werken. Op Return drukken levert geen witregel op, je moet je op Tab beroepen. Misschien geloven zij zo heilig in het ‘één gedachte per alinea’-adagium dat ze het design erop hebben aangepast.
Maar dat is niet wat Feathers interessant maakt. Het gaat om de filosofie achter hun schrijfapp. Zelf een blog designen heeft de volgende nadelen, schrijven de makers:
Je moet constant je eigen blogplatform onderhouden (design, hosting, tags, etc)
Je moet blijven schrijven. Als de bovenste blogpost twee maanden oud is, denkt de bezoeker dat je inmiddels ergens anders stukjes tikt.
Bezoekers verwachten dat je op je blog over één onderwerp tikt.
Een blog vergeet nooit iets, terwijl je mening misschien is veranderd.
Met Feathers lossen ze die problemen als volgt op:
Ze richten zich niet op een lijst van artikelen, maar op één stuk, wat de auteurs vervolgens op zijn eigen sociale media kan promoten.
Wanneer een stuk niet meer gedeeld of gelezen wordt, verdwijnt het langzaam maar zeker van het web.
Het laten verdwijnen van berichten is revolutionair. Ik moet er niet aan denken, ik koester mijn archieven. Ook al schaam ik me kapot voor sommige oude stukken, het laat wel mijn ontwikkeling als schrijver en ondernemer zien. Maar ik let ook altijd op wat ik schrijf. Ik tik alleen dingen over mensen die ik ook in hun gezicht durf te zeggen. Voor de wat meer emotionele schrijver is het laten verdwijnen van een artikel een uitkomst. Al je oude flame wars doven langzaam uit.
De makers van Feathers geloven duidelijk in de kunst van het weglaten. Je kan een tekst zelfs niet cursief maken. Plaatjes en links toevoegen kan ook niet. Feathers is om een tekst neer te pennen die niet op Twitter past. C’est tout. Die focus maakt het best sexy, maar voor een blogger als mij ook nutteloos. Lullig om dat op hun eigen site te schrijven. Gelukkig verdwijnt deze constatering vanzelf.
Het schrijfscherm van Feathers
Het overzichtsscherm voor de auteur met daarbij de vermelding hoe vaak je stuk gelezen is.
Aan de slag! Je krijgt wel zin om te tikken van zo’n scherm.
Afgelopen week was ik vijf dagen ziek, vandaar dat u geen dagelijkse blogpost zag verschijnen. Ik lag in bed, films te kijken. Negen stuks. Die Hard (klassiekertjes inhalen), Die Hard 2 (lichte teleurstelling na ‘t prachtige deel 1), Ted (mierzoete dude-film over vloekende teddybeer), Killing Them Softly (kil gangsterepos), The English Patient (klassiekertjes inhalen), Mystic River (ongelooflijk beklemmende rol van Sean Penn en schitterend gemaakt), De Bende van Oss (<3 Sylvia Hoeks & Marcel Musters), Alleen Maar Nette Mensen (flauw, plat en opgefokt) en The Life Aquatic with Steve Zissou (Wes Anderson inhalen).
In de laatste film zat een scene waardoor ik me meteen tien procent beter voelde. Ik heb ‘m nog tien keer teruggekeken op YouTube. Daarom, voor als u het even niet ziet zitten. De onderkoelde humor van Wes Anderson, Bill Murray en Cate Blanchett. Let’s pipe in some music.