Every reader is an expert at something

Repost from MediumWhy we see journalists as conversation leaders and readers as expert contributors

Lately, there has been a lot of talk about news sites shutting down their comments sections, since readers’ contributions are often too obtrusive (read Mathew Ingrams excellent post about this).

Here in Amsterdam, we sincerely regret these developments, since we believe that modern journalists shouldn’t see their readers as a passive group of annoying followers. Instead, they should regard readers as a potential gold mine of expert information. That’s why, at De Correspondent, we encourage our journalists to act as conversation leaders and our members as expert contributors. Continue reading “Every reader is an expert at something”

Javier Marías – De verliefden (2012)

Belangrijk om te weten: de auteur is gedoodverfd Nobelprijs-laureaat. Dus met eerbied begonnen aan dit boek over een Madrilese boekenredacteur die elke morgen een schijnbaar volmaakt gelukkig stel ziet ontbijten. Wanneer het ‘perfecte paar’ weken niet komen opdagen, blijkt dat de man neergestoken is door een doorgedraaide parkeerwachter. Wat volgt is een liefdesgeschiedenis met iemand die wellicht bij een moord betrokken is. Dat laatste zorgt voor een dilemma: kun je iemand beminnen wanneer je weet dat hij een moordenaar is? Mariás vult bladzijde met bladzijde met bespiegelingen van de hoofdpersoon, die op mij een verstikkende uitwerking hadden. Ik kwam niet meer aan mijn eigen interpretatie toe omdat Marías alles al bijzonder inginieus voorkauwde. Ter vergelijking: in de serie Breaking Bad zit een soortgelijk dilemma. Maar omdat daar het drama voor zich moet spreken en zo de kijker ruimte geeft voor een eigen beleving, weet ik zeker dat de pijn die daar getoond wordt mij jaren langer bij zal blijven dan Marías beschouwingen.
Javier Marías – De verliefden (2012)

Greg Whiteley – Mitt (2014)

Mitt is een suikerzoete documentaire over een perfecte familie. Het begint in 2006, wanneer republikein Mitt Romney aan zijn belachelijk knappe familie vraagt of hij zich verkiesbaar moet stellen. Daarna zien we de twee campagnes. Tenminste, we zien hoe de familie op ze reageert. Één keer komt er een persoonlijk assistent voorbij geschuifeld, verder alleen maar familieleden. Elke avond eindigt in een spraakwaterval van Romney, die zijn zelftwijfel deelt met de verzamelde gezinsleden. Opmerkelijk: minuten na het desastreuse tweede debat met Obama – ‘Please proceed, Governor’ – lacht de familie zich suf om een wedddenschap dat Romney met zijn zoon aanbindt over het aantal restaurants in een nabijgelegen vliegveld. Mitt eindigt met een prachtige scene: waarin zijn vrouw huilend afscheid neemt van de Secret Service en daarna met Romney neerploft in hun verwaarloosde woonkamer. Dat was het dan. Gelukkig hebben ze die heerlijke familie nog.
Greg Whiteley – Mitt (2014)

Eric Schlosser – Command and Control (2013)

We moeten weer bang zijn voor De Bom. Toen de Amerikaanse president Reagan in 1983 de atoomoorlog-film The Day After zag, realiseerde hij zich pas echt hoe gruwelijk een nucleaire wereldoorlog zou zijn en nam hij zich publiekelijk voor te stoppen met de wapenrace. Volgens onderzoeksjournalist Eric Schlosser (bekend van Fast Food Nation) hebben we weer zo’n angstgegner nodig. Hij schreef zes jaar lang aan Command and Control (2013), een reconstructie van hoe de VS haar kernwapenarsenaal opbouwde en beheerde. Vrijwel niemand is meer bezig met het risico van de duizenden kernkoppen op onze aarde, zegt Schlosser, terwijl het gevolg van één – al dan niet ongeplande – ontploffing desastreus zou zijn. Ik moest Schlosser voor de randprogrammering van de Nuclear Summit interviewen en ben me rotgeschrokken van de 500 pagina’s aan opgesomde ongelukken en keren dat de wereld maar net aan een nucleair ongeluk ontkwam. Zijn boek leest door de absurde informatiedichtheid niet makkelijk weg, maar zijn boodschap verdient een net zo groot publiek als The Day After.
Eric Schlosser – Command and Control (2013)

Kurt Vonnegut – Slaughterhouse-Five (1969)

Kurt Vonnegut is een auteur die je niet hoeft te lezen om van hem te houden, want er staan honderden gerustellende citaten van hem online waarmee hij onzekere hemelbestormers leert relativeren. Zo houdt Vonnegut je voor dat je vooral mag genieten van de kleine momenten, omdat die achteraf de grote momenten blijken. Slaughterhouse-Five is zijn meest invloedrijke boek en gaat over het geallieerde bombardement op Dresden in 1945. Vonnegut was daar bij, als krijgsgevangene, en overleefde de vuurzee omdat de Duitsers hem naar een diepe kelder hadden meegesleept. Het eindeloze relativeren komt heerlijk van pas wanneer je als ambitieuze jongeling de prestatiedruk voelt, maar wanneer je met dezelfde levenshouding de oorlog beschouwt, word je er moedeloos van. Vonnegut toont in dit boek de waanzin van massaslachtingen en zegt daarna dat die dingen nu eenmaal zo gaan. Dan is het geen geruststelling meer, dan is het alleen nog verschrikkelijk angstaanjagend. ‘Oorlogen blijven komen als gletsjers’, schrijft Vonnegut. So it goes.
Kurt Vonnegut – Slaughterhouse-Five (1969)

Tom McCarthy – Remainder (2006)

De naamloze hoofdpersoon loopt over straat, er ‘valt iets uit de lucht’, hij raakt in een coma en krijgt na een lange revalidatieperiode een schikking van 8,5 miljoen pond. Fijn, dat geld, maar hij heeft sinds de coma het gevoel constant toneel te spelen. Hoe kan hij, getraumatiseerd man die alles opnieuw heeft moeten leren, nog ‘echt’ zijn? Dat antwoord vindt hij pas op een huisfeestje, als hij een scheur in het badkamerplafond ziet en een deja-vu krijgt. Vanaf dat moment is zijn hele leven – en fortuin – gericht op het naspelen van die deja-vu. Ook al moet hij daar een gebouw voor ontruimen en 24 uur per dag acteurs inhuren. Dit is verreweg het meest vervreemdende en tegelijkertijd het meest meeslepende boek dat ik in tijden gelezen heb. McCarthy laat zien hoe maakbaar de wereld is als je geld hebt en hoever je dan de strijd voor het controleren van het oncontroleerbare kunt voeren.
Tom McCarthy – Remainder (2006)

Wes Anderson – The Grand Budapest Hotel (2014)

Hoewel het steeds onmodieuzer wordt om Wes Anderson lief te hebben (‘stuff white people like’), is het nog steeds een feest om zijn styling, cast, glijdende shots en zijn nostalgische-werelden-die-eigenlijk-nooit-hebben-bestaan te zien. Alleen blijft het bij zijn laatste films vooral bij een feest van herkenning, en zulke feesten gaan op een gegeven moment vervelen. Nu nog niet, misschien ook omdat The Grand Budapest Hotel zijn meest grimmige film tot nu toe is (er valt elke paar minuten een dode, of vijf), maar het wordt langzamerhand wel tijd voor Andersons ‘Newport’-moment.
Wes Anderson – The Grand Budapest Hotel (2014)