Verkoop net als Condé Nast prints uit je beeldarchief

Condé Nast is een enorm uitgeefhuis met titels als Vogue, GQ, The New Yorker en Wired.

Op de vijftiende verdieping van een New Yorks pakhuis bewaart het concern 8 miljoen foto’s en illustraties. Continue reading “Verkoop net als Condé Nast prints uit je beeldarchief”

Honderdduizenden lezers beginnen voor journalistiek te betalen

Ik ga even door op de lijn van vorige week – over hoe nepnieuws mede de Amerikaanse verkiezingen beïnvloedde. Als zelfs Obama zich er druk om maakt!

Nog even dit: ik wil geenszins beweren dat Trump puur en alleen aan de macht komt door nepnieuws. Daar zijn diepere oorzaken voor. Maar nepnieuws voedt diepgewortelde frustraties wel.

Bovendien zit er (naast belangengroepen) ook een nihilistische industrie achter die miljoenen verdiend aan het saboteren van onze democratieën.

Ik sluit af met enkele hoopgevende conclusies.  Continue reading “Honderdduizenden lezers beginnen voor journalistiek te betalen”

Zo vond The New Yorker zichzelf opnieuw uit

De stoffige The New Yorker leek voorbestemd een museum te worden. In deze reconstructie wordt uitgelegd waarom het blad inmiddels een ‘multimedia juggernaut’ is.

Wat ik zo mooi aan The New Yorker vind, is hoeveel verschillende mediatypes ze succesvol inzetten om hun verhalen te vertellen. Ze maken een chique papieren blad, levendige website met een volledig archief, een ongelooflijk sexy festival (daar moet ik volgend jaar heen), podcasts en binnenkort zelfs een televisieserie. Daarin laten ze zich leiden door vragen als:

‘What does The New Yorker sound like when it jumps off the page and into your ear?’

Al deze nieuwe initiatieven (waar het plezier van af spat) moeten leiden tot een groter bereik, en dat bereik moet vervolgens worden omgezet in betalende klanten. Voorlopig resultaat: de hoogste betaalde oplage in hun bestaan, namelijk 1,08 miljoen (het is wel onduidelijk wat daar allemaal onder valt helaas).

The New Yorker heeft trouwens als groot voordeel dat het overkoepelende concern Condé Nast haar financieel goed beschermt. Zo heeft het blad zich nog niet hoeven beroepen op het grote kwaad dat native advertising heet.

Wat er mis is met Making a Murderer

True crime scoort. Na de podcast Serial, is nu de documentaireserie Making a Murderer thunderpopulair. Het gaat over Steven Avery, een man die achttien jaar lang onschuldig heeft vastgezeten voor verkrachting. Twee jaar na zijn vrijlating wordt hij aangehouden voor een moord. Ook onterecht, aldus de makers.

Na veel gejubel over deze serie – en een nutteloze petitie voor vrijlating aan Obama– publiceerde The New Yorker deze week eindelijk een kritisch geluid. Dit zijn de grootste problemen met true crime in het algemeen, en Making a Murderer in het bijzonder:

  • het maakt van een persoonlijke tragedie publiek entertainment;
  • het gaat voorbij aan de grotere context van dit soort zaken: gesjoemel met politiebewijs overkomt (al dan) niet alleen Avery, het is een wijdverbreid probleem;
  • en de belangrijkste: de serie promoot twijfel niet, maar wil er alleen maar voor zorgen dat je gelooft dat Avery onschuldig is.

Belangrijk citaat:

“To me, the fact that the response was almost universally ‘Oh, my God, these two men are innocent’ speaks to the bias of the piece. A jury doesn’t deliberate twenty-some hours over three or four days if the evidence wasn’t more complex.”

Experiment: volg een groot nieuwsverhaal via e-mail

In de serie ‘elke publicatie is tegenwoordig een e-mailbedrijf‘ (want omdat lezers niet meer naar voorpagina’s surfen, moet je ze op een andere manier aan je bestaan herinneren) is dit een nieuwe interessante aflevering: The New York Times gaf lezers afgelopen weekend de mogelijkheid om Parijs te volgen via e-mail, Bij belangrijke updates stuurt de krant je dan een berichtje, zodat je erop kunt vertrouwen niets belangrijks te missen.

Bij De Correspondent hebben we deze week weer enkele nieuwe persoonlijke nieuwsbrieven geïntroduceerd (hallo Blauw, hallo Mommers), na twee succesvolle experimenten met nieuwsbrieven van Rutger Bregman en ondergetekende.

En vergeet deze mooie reminder van The New Yorker niet!

Een hele slimme mailnotificatie van The New Yorker

Door al dat nieuwsbrievengeweld van de laatste tijd zou je bijna vergeten dat je e-mail ook nog voor andere doeleinden kunt gebruiken. Zoals notificaties.

Ik zag een hele slimme notificatie bij The New Yorker: je leest een stuk, maar ergens halverwege besluit je – om wat voor reden dan ook – te stoppen. Waarschijnlijk scroll je dan weer naar boven. De site herkent die beweging en toont een kleine pop-up met de tekst: ‘Need to stop reading? We’ll send you a reminder of where you left off’. Als je je mailadres hebt ingevuld, krijg je direct, na twee uur of na drie dagen een herinnering.

tumblr_nwq11o1DX81qgl002o1_500
Zie rechtsonder

De service is nog niet superpopulair (zie de data in dit gelinkte stuk), maar de gedachte erachter is heel slim, want servicegericht, en een mooie digitale equivalent van het tijdschrift dat op je mat ploft. Want dat is essentieel voor publicaties: dat je lezers aan je bestaan herinnert. The New Yorker doet dat nu op zeer vernuftige manier.

The Problem With The King Of Clickbait

This The New Yorker profile of a young ‘viral guy’ shines a light on the supply side of the ‘ads race to the bottom’. It’s hilarious. Especially when the journalist visits his childhood home and meets the dad, who ‘speaks in passionate bursts that sound like unrelated fortune-cookie aphorisms spliced together’.

But it’s also a depressing article. It shows how the viral guy, whose name is Emerson Spartz, obsesses over getting pageviews and then plastering his sites with ads. Originality doesn’t meet his business standards, he says, because copy/pasting viral hits from your competitors generates more revenue for less effort.

“We’ve stopped doing that as much because more original lists take more time to put together, and we’ve found that people are no more likely to click on them.”

Here’s a screenshot to give you an idea what you’ll end up with if the above is your business ethos:

Dose.com
Dose.com, a site by Emerson Spartz

I don’t mind that Spartz has chosen this business model and I’m impressed he has built a company around it.

The problem with the king of clickbait though, is that a growing amount of journalists think they should compete with him. They adopt his tactics. They start preaching the viral Evangelic in their editorial offices.

Thinking about how you can reach your audience is fine. But lowering your journalism standards to go viral isn’t.

And that’s exactly what happens when you – as a journalist – look at Emerson Spartz as a source of inspiration.

You’ll then only focus on getting pageviews. You won’t worry about building relationship with readers. You just want to trick them in clicking on your next listicle. You’ll simplify stuff.

It’s a short-term strategy. And if you’ve chosen it, there’s no way back. When the advertisement revenues dry up, you won’t be able to ask for a donation or a subscription fee.

Because you have no loyal readers left.

You’ll end up hoping that you’ll have another hit on Facebook. As Spartz says, ‘Facebook should be eighty per cent of your effort’.

It will probably be right around that time when the audience is getting fed up with the click bait and will be looking for a thoughtful alternative. Deep reads, analysis. A news site that only serves their needs. That’s focused on getting them informed  rather than addicted.

A site they’ll probably be willing to pay money for.

The New Yorker site is still a mere wrapper for paper articles

The New Yorker has just launched a clean and responsive site for their writings. Moreover, they’ve made their archive – dating back to 2007 – available and allow everyone to browse the site for free during this summer (there’ll be a paywall similar to The New York Times wall after that).

I enjoy browsing the new site, yet it strikes me as odd that the first article I read is basically still a paper article. In a review of the Jeff Koons retrospective in the Whitney, no photos or videos showcase the discussed works. Instead, I’ll have to trust the rather concise descriptions of the author.

On paper, this makes perfect sense. Online, it’s unacceptable.

And using photos is just the beginning. It would get even more exciting if The New Yorker would unlock their beautiful archive with links to older pieces about Koons, etcetera (because the story could be the platform)

For now, The New Yorker has only created a beautiful site for their paper writings (and, ok, their blogs, but those aren’t as heavily invested in as in the paper magazine). I certainly hope that their next step will be an exploration of the advantages of digital storytelling.

Do you hate reading your friend’s novel, being afraid you’ll insult him by not liking it?

This piece from The New Yorker proves you’re not alone: ‘you know you’re really fond of somebody when his or her books make you almost as nervous as your own.’

Do you hate reading your friend’s novel, being afraid you’ll insult him by not liking it?